Holodor, de gewilde hongersnood

De hongersnood in 1932 en 1933 kost miljoenen Oekraïners het leven. Hoeveel mensen sterven tijdens de Holodomor - in het Oekraïens ‘dood door opzettelijke verhongering’ - zal nooit duidelijk worden, aangezien er geen officiële cijfers van zijn. Verhongering mag namelijk van de autoriteiten niet als doodsoorzaak worden vastgelegd. Daardoor lopen de cijfers sterk uiteen: van 2,5 tot zelfs 7,5 miljoen verhongerde Oekraïners.

De Amerikaanse historicus Timothy Snyder houdt het in zijn boek Bloodlands op 3,3 miljoen als ‘realistisch aantal’. Daarbij komen de naar schatting 2,5 miljoen Oekraïners die worden vermoord omdat ze zich toch een handjevol graan toeëigenen of de boeren die naar verre uithoeken van de Sovjet-Unie worden verbannen en daar in de kampen om het leven komen. Hele dorpen raken uitgestorven, geschat wordt dat één op de zes Oekraïners de Holodomor niet heeft overleefd.

Het ontvolkte land wordt vervolgens in bezit genomen door Russen. Dat verklaart waarom er vandaag de dag zoveel etnische Russen in met name het oosten van Oekraïne wonen. Na de Holodomor gaat het aantal Russen van 5,6 naar 9,3 procent van de bevolking. De splijtzwam van nu - het separatisme - vindt daarom zijn oorzaak in een doelbewuste actie van Sovjetleider Josef Stalin in de jaren ’30 van de vorige eeuw, namelijk het uithongeren van met name de plattelandsbevolking. Ook in Rusland en Wit-Rusland leed de plattelandsbevolking onder een voedseltekort, maar verreweg het ergst zijn de Oekraïners er door getroffen.

De oorzaak daarvan ligt vele jaren eerder. In 1917 verklaart Oekraïne zich onafhankelijk van Rusland, maar al vier jaar later wordt het land door de Bolsjewieken veroverd en maakt het deel uit van de Sovjet-Unie. Het nationale bewustzijn is echter ontwaakt door deze korte periode van onafhankelijkheid. Dat leidt eind jaren ’20 tot het oppakken van vooraanstaande Oekraïners die verdacht worden het Sovjet-regime omver te willen werpen. Duizenden verdwijnen zo in de kampen.

De hongersnood is het gevolg van het eerste Vijfjarenplan van Stalin, dat in 1932 afloopt. In dat Vijfjarenplan ligt de nadruk op industrialisatie en collectivisering van de landbouw. Van marktwerking is geen sprake meer, alleen het plan telt. De boeren betalen de rekening. In 1929 kondigt Stalin aan dat de koelakken als klasse worden geliquideerd. Die koelakken, in het Oekraïens koerkoels, zijn de boeren.

De staatspolitie moet welvarende boeren deporteren omdat ze zich verzetten tegen de collectivisering. Overal in de Sovjet-Unie moeten trojka’s, groepjes van telkens drie mensen, beslissen over het lot van de boeren. Een trojka mag zonder al te veel omhaal iemand ter dood veroordelen of verbannen, zonder dat beroep mogelijk is. Naar schatting 30.000 Sovjetburgers worden zonder fatsoenlijk proces geëxecuteerd. Nog eens 1,7 miljoen koelakken, waaronder zo’n 300.000 Oekraïners, belanden in de Goelagkampen in Siberië, het noorden van Europees Rusland en Kazachstan. Ze sterven daar bij duizenden door dwangarbeid onder erbarmelijke omstandigheden.

De collectivisering van de landbouw loopt aanvankelijk als een trein. De boeren worden bedreigd met deportatie als ze niet bereid zijn hun land af te staan en zich aan te sluiten bij een kolchoz, het gemeenschappelijke boerenbedrijf. Dat leidt er toe dat in het vroege voorjaar van 1930 al ruim 70 procent van alle landbouwgrond in de Sovjet-Unie naar de kolchozen is gegaan. De boeren mogen niets meer voor eigen gebruik verbouwen, hun vee raken ze ook kwijt.


In Rusland is gemeenschappelijk boeren een traditie, maar dat geldt niet voor Oekraïne. Daar stribbelen de boeren tegen. Ze houden toch nog een lapje grond voor zichzelf en ze slachten hun vee liever dan dat ze dat af staan aan het collectief. Anderen trekken weg, richting Polen. Als in dat buurland de hongersnood bekend wordt, krijgt Stalin de bijnaam ‘Hongertsaar’. De Sovjetleider neemt gas terug, de boeren mogen in de loop van 1930 weer graan verbouwen alsof de grond van henzelf is. Dat is echter van korte duur, want in 1931 staat de collectivisering weer bovenaan de politieke agenda. De kolchozen krijgen het recht om zaaigoed in beslag te nemen van onafhankelijke boeren, daarmee een definitief einde makend aan hun onafhankelijkheid. Zonder zaaigoed is er immers geen toekomst meer. Opnieuw worden duizenden boerengezinnen gedeporteerd.

Intussen zorgt de warme zomer van 1930 voor een uitzonderlijk grote oogst. Als die oogst wordt gebruikt als uitgangspunt voor de oogst van het jaar erop ontstaat een onmogelijke situatie. Niet alleen omdat het een slechte zomer is met ziekte in de gewassen, maar ook bij gebrek aan trekpaarden (die immers geslacht waren door de boeren) en machines. De boeren zelf hebben weinig animo om zich voor het collectief in te spannen. Van de tegenvallende oogst wordt ruim de helft uit Oekraïne weggehaald. Om aan de door Moskou opgelegde quota te voldoen, staan de kolchozen zelfs hun zaaigoed af. De hongersnood is onvermijdelijk geworden.

Stalin geeft zelf in de zomer van 1932 toe dat er honger wordt geleden, al heeft hij het niet veel later over ‘een sprookje’. Tegelijkertijd vindt hij het exporteren van graan belangrijker, want de Sovjet-Unie heeft dringend buitenlandse valuta nodig. Het gaat intussen van kwaad tot erger. Op 7 augustus 1932 wordt een wet van kracht die het simpelweg in bezit hebben van voedsel al als een misdaad bestempelt. Diefstal van voedsel, of wat daar voor door moet gaan, kan leiden tot executie ter plekke.

Er worden wachttorens geplaatst langs de akkers van waaruit jonge, door de communistische anti-koelak propaganda aangestoken Oekraïners uit de steden in de gaten houden dat boeren niets van de oogst voor zichzelf nemen. Huizen worden doorzocht op voedsel, zelfs de kleinste beetjes worden meegenomen. De deportaties worden hervat, duizenden mensen verdwijnen.

Boeren die de graanquota niet halen, worden in november 1932 verplicht tot een vleesboete, een boete in de vorm van vlees. Tot dan geldt: wie nog een koe heeft, komt niet om van de honger. Een week later wordt bekend dat de kolchozen die het graanquotum niet hebben gehaald voor straf elke maand vijftien maal zoveel graan moeten leveren. Het komt er op neer dat hele dorpen zonder voedsel komen te zitten.

In de eerste weken van 1933 grijpt de honger om zich heen, terwijl de grenzen van Sovjet-Oekraïne worden gesloten. Ook wordt het de boeren onmogelijk om naar de steden te gaan, waar nog wel voedsel is. Communistische activisten struinen intussen de dorpen af op zoek naar de laatste restjes zaaigoed om ook die in beslag te nemen. Wie zich verzet, wordt gearresteerd.

Op het Oekraïense platteland heerst dan doodse stilte. Vee is geslacht of in beslag genomen. Kippen, honden en katten zijn geslacht. Vogels zijn geschoten of weggetrokken naar veiliger oorden. De mensen zelf zijn te zwak om nog lawaai te maken. Als de Engelse journalist Garreth Jones met de trein vanuit Moskou naar Charkiv reist, stapt hij onderweg uit om een kijkje te nemen op het platteland. Hij schrikt van de hongerende mensen. ‘Iedereen is opgezwollen van de honger.’

Jones bezoekt vervolgens Charkiv, dan de hoofdstad van Sovjet-Oekraïne, waar hij moet constateren dat om twee uur ’s nachts al mensen bij winkels staan te wachten die pas om zeven uur open gaan. Ze wachten soms twee dagen. Niet alleen in Charkiv, maar ook in Kiev, Stalino (het huidige Donetsk) en Dnipropetrovsk staan elke dag honderdduizenden in de rij voor een brood. Maar in de steden is tenminste nog eten verkrijgbaar, ook al is het op de bon.

Op het platteland is helemaal niets meer te eten. Een ongebruikelijke situatie, want in tijden van hongersnood zijn het juist de stedelingen die het platteland opzoeken omdat daar altijd wel iets te eten valt. Nu bedelen de boeren in de stad om eten. De oogst wordt in het najaar van 1933 binnen gehaald door soldaten van het Rode Leger, door partijactivisten, fabrieksarbeiders en studenten. Uit Rusland komen kolonisten die de huizen en dorpen bevolken. Vaak moeten ze eerst de lichamen van de vorige bewoners verwijderen.

In 2006 erkent het Oekraïense parlement de Holodomor officieel als genocide, volkerenmoord. Dat doen daarna ook onder meer de Raad van Europa, de Verenigde Staten, Canada en Vaticaanstad - Nederland dus niet. Rusland blijft ontkennen dat de hongersnood met opzet is veroorzaakt. In Oekraïne wordt de Holodomor elk jaar herdacht op de laatste zaterdag in november. Veel Oekraïners zetten dan om vier uur ’s middags een kaars voor het raam ter herinnering aan de slachtoffers van de Holodomr. De term Holodomor is overigens ingevoerd door de Oekraïense gemeenschap in de Verenigde Staten, om daarmee aandacht in de wereld te vragen voor de hongersnood die zoveel landgenoten het leven heeft gekost.

Intussen zijn van ooggetuigen tal van herinneringen aan de hongersnood vastgelegd. Op de website van het Amerikaanse Committee Holodomor-Genocide Awareness staat een aantal van deze herinneringen.

Zoals die van Hanna Dorosjenko: ‘Onze vader las ons voor uit de Bijbel, maar als hij las over een ‘oorlog zonder bloedvergieten’ kon hij ons nooit uitleggen wat daarmee wordt bedoeld. Maar toen hij in 1933 van de honger dood aan het gaan was riep hij ons bij zich en zei: Dit, kinderen, is wat er bedoeld wordt met een oorlog zonder bloedvergieten.’ En Mikola Karlosh vertelt: ‘In de jaren 1931 tot 1934 hadden we geweldige oogsten, het waren fantastische zomers. Het graan werd echter van ons afgenomen. Mensen zochten de velden af in de hoop nog ergens een paar graankorrels te vinden. Zelfs in muizenholletjes keken ze.’

Oleksandra Rafalska uit Zjitomir: ‘Ik heb geen idee waar al het graan naar toe is gegaan, misschien wel naar het buitenland. De overheid heeft het in beslag genomen, uit de dorpen gehaald en het met treinwagons weggebracht. Vervolgens doorzochten ze alle huizen en namen zelfs de laatste kruimels nog mee. Als de kinderen huilden, dan konden ze een trap van een laars krijgen. Het is eigenlijk te verschrikkelijk om nog te vertellen. Het was allemaal zo indringend dat dag voor dag in mijn geheugen gegrift is. Mensen lagen overal, als dode vliegen. De stank was niet om te harden. Veel buren en bekenden uit onze straat stierven. Ik heb geen idee waarom ik het wel heb overleefd. In die hongerwinter hebben we echt van alles gegeten om te overleven, van gras en verrotte aardappelen tot ganzepoten. We maakten pannenkoeken en soep van geplette bonen en brandnetels.

We haalden het schors van de bomen en aten dat op, we aten mussen en duiven, katten en honden - ook als we ze eerst nog dood moesten maken. Als er nog vee was, dan was dat het eerst aan de beurt. Daarna de huisdieren. Er waren zelfs mensen die hun eigen kinderen opaten. Ik zou dat zelf nooit gekund hebben. Buren aten van pure honger hun baby op. De moeder draaide helemaal door. De mensen dronken heel veel water om hun maag te vullen, daardoor waren hun buiken en benen helemaal opgezwollen. Zelfs hun huid zwol op. Op het stelen van een handvol graan stond vijf jaar gevangenisstraf. Niemand mocht het veld nog op. De mussen pikten het graan op, wat de mensen zo hard nodig hadden.’

Motria Mostova herinnert zich: ‘Overal in ons dorp gingen mensen dood. De honden ontfermden zich over de doden die niet werden begraven. Op hun beurt probeerden de levenden de honden te vangen om ze op te eten. In het volgende dorp groeven mensen lichamen op om ze op te eten. Antonina Melesjtsjenko uit het dorp Kosivka nabij Kiev: ‘De hongersnood kwam. Mensen aten katten, honden. Ze vingen kikkers, in de rivier Ros was geen kikker meer te bekennen. Kinderen zochten insecten op de velden, ze stierven met opgezwollen buiken. De sterkste boeren werden gedwongen om de lichamen van de doden naar de begraafplaats te brengen; de lichamen werden als brandhout op karren gestapeld en vervolgens in een grote kuil gegooid. Overal lagen de lichamen: op de wegen, bij de rivier, bij schuttingen. Ik raakte vijf broers kwijt. Al met al stierven 792 inwoners van ons dorp tijdens de hongersnood, in de oorlogsjaren in totaal 135.’

Een enkeling vestigt zijn hoop nog op de autoriteiten. Zoals I.A. Rilov in een brief: ‘Alstublieft, wilt u het graan teruggeven dat u van me in beslag heeft genomen. Als u dat niet doet, ga ik dood. Ik ben 78 jaar en niet in staat om zelf naar voedsel te zoeken.’ Tot slot de Engelse schrijver en journalist Arthur Kaestler. In het boek De falende God uit 1949 schrijft hij over zijn drie maanden in de stad Charkiv tijdens de hongersnood: ‘Ik zag de ellende van de hongersnood van 1932-1933 in Oekraïne met eigen ogen: massa’s gezinnen gehuld in vodden die bij de treinstations stonden te bedelen; de vrouwen tilden hun stervende kinderen op tot bij de ramen. Die leken met hun staakdunne benen, ingevallen wangen en opgezwollen buiken op embryo’s die op sterk water waren gezet.’

De Belgische schrijver Georges Simenon, de geestelijke vader van inspecteur Maigret, is in 1933 drie dagen in Odessa voor een Europese reportagereis. Tijdens zijn eerste avond in Odessa ziet hij in de stadsopera een stuk waarin dikke edellieden worden voorgesteld. Er is iets onnatuurlijks, iets onmenselijks aan ze... Plots ziet hij het: ‘Ze hadden allemaal valse wangen, valse buiken, valse borsten, valse billen! Ze hadden dikke figuranten nodig maar die konden ze niet vinden, dus hebben ze nek-dikkerds gemaakt.’ Ook ziet Simenon hoe uitgemergelde lijken van de straten worden gehaald en een hond met een bot van een kinderbeen in zijn bek. Maar zijn reisgids Sonja, die hem voor de geheime dienst in de gaten houdt, probeert de verschrikkingen om hem heen weg te cijferen. Tevergeefs, zoals later blijkt uit zijn verslag.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen